Pleegkinderen vertonen meer probleemgedrag dan leeftijdsgenoten in ‘normale’ gezinssituaties. Daardoor worden ze regelmatig overgeplaatst naar andere pleeggezinnen.  Meer screening en monitoring is nodig om te bepalen wat dat probleemgedrag precies veroorzaakt. Daarvoor pleit orthopedagoog Anouk Goemans in haar promotieonderzoek aan de Universiteit Leiden.

In Nederland verblijven momenteel zo’n 20.000 kinderen in pleegzorg. Een deel van die kinderen moet het pleeggezin jammer genoeg weer voortijdig verlaten omdat de plaatsing te moeizaam verloopt, vaak vanwege probleemgedrag. In het ergste geval ontstaat er een situatie waarin kinderen van pleeggezin naar pleeggezin moeten verhuizen. Om dat te voorkomen, zocht promovenda Anouk Goemans naar factoren die de ontwikkeling van een pleegkind positief kunnen beïnvloeden. De ideale uitkomst: een model om de psychosociale ontwikkeling van pleegkinderen te voorspellen.

Voorspellingsmodel stap dichterbij

Zover kwam Goemans niet. Een meta-analyse van verschillende eerdere onderzoeken en een eigen longitudinale studie leverden weliswaar een aantal interessante verbanden op, maar de ontwikkelingstrajecten van pleegkinderen kennen volgens Goemans een grote interindividuele variatie. “Hoewel de verbanden voor een deel de ontwikkeling van kinderen in pleegzorg kunnen verklaren, leveren ze samen nog geen model op waarmee de gehele ontwikkeling accuraat kan worden voorspeld.”

Extra ondersteuning

Goemans ontdekte onder meer dat extra ondersteuning, bijvoorbeeld begeleiding of interventies, van professionele hulpverleners negatief gecorreleerd is aan de gedragsproblemen van het pleegkind. Met andere woorden: kinderen die extra ondersteuning ontvingen, hadden meer gedragsproblemen. Goemans: “Maar dit resultaat is gebaseerd op één meetmoment. De meest aannemelijke verklaring is dat er simpelweg meer ondersteuning wordt geboden aan kinderen met problemen dan aan kinderen zonder problemen.” Ook pleegkinderen die geen extra ondersteuning ontvangen, vertonen volgens de studie overigens behoorlijk veel gedragsproblemen.

Stress

Goemans ontdekte daarnaast dat gedragsproblemen bij pleegkinderen meer ouderlijke stress bij pleegouders voorspellen, maar niet andersom. Het lijkt er dus op dat pleegouders hun pleegkinderen niet belasten met hun eigen stress. Goemans: “Misschien komt dit doordat ze vaak een bewuste keuze maken om pleegouder te worden, of door de voorbereidingscursussen die zij hebben gehad.”

Systematisch monitoren

Omdat een goed voorspellingsmodel tot nog toe ontbreekt, raadt Goemans hulpverleners aan om de ontwikkeling van pleegkinderen vanaf nu systematisch te screenen en monitoren. Op die manier kunnen ze daar waar nodig extra ondersteuning inzetten. Daarnaast kunnen onderzoekers hierdoor mogelijk in de nabije toekomst met meer zekerheid vast te stellen welke factoren probleemgedrag veroorzaken. Op basis van die onderzoekresultaten kan desnoods het plaatsingsbeleid worden aangepast, waardoor kinderen hopelijk lange in één pleeggezin kunnen verblijven.

Checklist

De tools voor een meer structurele monitoring zijn al voorhanden, maar tot nog toe niet in Nederland ingevoerd. Met name de Brief Assessment Checklist (BAC) is nuttig, meent Goemans. In deze tool – die in Australië, Nieuw-Zeeland, Duitsland en Engeland al wordt gebruikt – kan bijvoorbeeld de band tussen pleegouder en -kind op een snelle en effectieve manier in kaart worden gebracht. Hunkert het kind naar genegenheid? Maakt het kind geen onderscheid tussen pleegfamilie en onbekenden? Voor al deze signalen is een plekje. Het maakt de BAC een nuttige tool voor hulpverleners, en hopelijk is systematisch gebruik een volgende stap op weg naar een voorspellingsmodel.

Bron: Universiteit Leiden

------
Abonneer u op onze gratis digitale nieuwsbrief en u ontvangt wekelijks een overzicht van relevante ontwikkelingen rond ouderschapskennis en –ondersteuning

LAAT EEN REACTIE ACHTER