Bij het uitzetten van een koers stuiten hulpverleners regelmatig op onwil en onkunde bij ouders om hierin mee te gaan. Begrijpelijk, vindt sociaalpsychiatrisch verpleegkundige en trainer Gerard Lohuis. “Vaak kijken wij vanuit bepaalde problematiek naar wat er speelt in een gezin. Die invalshoek vormt dan de basis voor de behandeling, terwijl ouders  daar heel anders tegen aan kunnen kijken. Deze insteek is dan ook een voedingsbodem voor verzet. Veel beter is het om eerst een band met een gezin te creëren. Ouders moeten het gevoel hebben dat je aan hun zijde staat en met ze meedenkt.”

De eerste stap is presentie, benadrukt Gerard Lohuis. “Dit betekent niet oordelen, aansluiten en erkenning krijgen.” Dit lijkt wellicht logisch, maar in de praktijk komt het er vaak niet van. “Kijkend door je professionele bril heb je al snel allerlei oplossingen paraat. Niet dat die er niet toe doen, maar probeer eerst gevoel te krijgen voor wat ouders jou proberen te laten zien. Probeer erkenning te geven. Vervolgens zijn ouders eerder geneigd je te vertrouwen.”

Coach

Kiezen voor deze ingang biedt in de ogen van Lohuis een gezonde basis om het daadwerkelijke hulpaanbod op tafel te leggen. “Ouders zien je dan als een soort van coach voor het gezin in plaats van een allesbepalende hulpverlener.” Hij raadt aan daarbij niet te vergeten om terug te gaan naar de eigen geschiedenis van ouders. “Vaak herhalen dingen zich. Door hun te laten vertellen over wat ze zelf hebben meegemaakt, ontdek je raakvlakken met wat zich in het hier en nu in hun eigen gezin afspeelt. Dankzij dergelijke betekenisvolle verhalen ontstaat veel inzicht en snappen ouders misschien waarom ze zelf in de problemen zijn gekomen. Loop dus niet te snel van stapel en creëer eerst een band met een gezin. Als je namelijk geen contact hebt, kun je alles wel op je buik schrijven.”

Psychose

Om zijn benadering te illustreren, haalt Lohuis een recent praktijkvoorbeeld aan. “Het betreft een gezin waarbij de moeder alleen voor de opvoeding van vier kinderen stond. Haar oudste heeft een ernstige vorm van autisme. Op een gegeven moment werd het haar te veel en is ze, zonder dat zelf te merken, psychotisch geworden. Er volgde een gedwongen opname, maar inmiddels is ze hersteld en woont weer op haar zelf. Haar kinderen zijn elders ondergebracht, maar nu wil ze hen natuurlijk weer graag thuis hebben. Mensen vanuit jeugdzorg zeggen echter van ja, kan dat nu wel? Dit is volgens mij niet de goede insteek. Moeder doet haar uiterste best en is zeer liefdevol naar de kinderen, dat laat ze ook aan alle kanten zien. Ze heeft al die jaren ook goed voor de kinderen gezorgd. Waarom zouden wij haar niet helpen om de zorg voor de kinderen weer op zich te nemen en kijken wat daarvoor eventueel aan extra ondersteuning nodig is? Dan draai je de boel om en sluit je aan bij het perspectief van een gezin. Dát is wat ik binnen de jeugdhulpverlening breed probeer te bereiken.”

Grenzen

Lohuis is de eerste om toe te geven dat er ook grenzen aan deze benadering zitten. “Soms moet je niet aarzelen en echt ingrijpen, zeker als ouders niet zien wat ze hun kinderen aandoen.” Als voorbeeld noemt hij mishandeling of seksueel misbruik. “Ook dan kan het zinvol zijn om mee te bewegen, maar niet te lang. Zeker als een kind in gevaar is, moet je ingrijpen, ook al zijn de ouders het er niet mee eens. Ik vind dat zo’n kind dan recht heeft op de bescherming van de hulpverlener.”

Gerard Lohuis: “Sluit aan bij het perspectief van een gezin in een bepaalde situatie”

Verschil tussen waarheid en juistheid

In de praktijk is de ernst van een situatie vaak niet direct duidelijk en heeft een hulpverlener te maken met een grijs gebied. Hoe dan te handelen? “Ik maak altijd onderscheid tussen de waarheid en de juistheid. De waarheid is wat we zien, hoe we dat benoemen en wat er gebeurt. Stel iemand is depressief of heeft een stoornis. Daar plakken wij dan een etiket op, omdat we dat met elkaar zo hebben afgesproken. Ik werk nu 40 jaar in de GGZ, maar ik heb nog nooit dezelfde depressie of psychose gezien. Probeer als je de waarheid ziet dus te kijken wat het voor iemand persoonlijk betekent. Dan steek je in op de juistheid van een situatie en op dat niveau maak je contact. Zorg dat je een relatie zoekt en vindt tussen de waarheid, dat is hoe wij het probleem noemen, en de juistheid. Dit laatste is hoe mensen het zelf beleven.”

Lezing 

Dit interview is een voorproefje op de lezing van Gerard Lohuis tijdens het online congres ‘In verbinding blijven met ouders’ dat op 17 juni plaatsvond en t/m 17 juli online staat; inschrijven kan dus nog. Rode draad is hoe je weerstand kunt ombuigen om tot een werkbare relatie te komen. Een presentatie over voetangels, maar nog meer over handvatten om hierin een weg te vinden. De weerbarstige praktijk te lijf!

Programma online congres ‘In verbinding blijven met ouders’ > 

Gerard Lohuis is werkzaam als sociaal psychiatrisch verpleegkundige bij BuurtzorgT Groningen en richt zich vooral op de sociale psychiatrie, dubbele diagnoses en openbare geestelijke gezondheidszorg. Daarnaast is hij trainer, docent en opleider aan de Hanzehogeschool en redacteur van het tijdschrift Sociale Psychiatrie. Hij is nauw betrokken geweest bij het opzetten van een ambulant crisisteam in Groningen en het project Vangnet & Advies op het gebied van de openbare geestelijke gezondheidszorg.

 

------
Abonneer u op onze gratis digitale nieuwsbrief en u ontvangt wekelijks een overzicht van relevante ontwikkelingen rond ouderschapskennis en –ondersteuning

1 REACTIE

  1. Beste Gerard,

    Hoe kunnen we hierin een brede beweging op gang krijgen: “van waarheid naar juistheid” en maak van gewone ontregelingen geen ontregel-dingen (Maarten Spaander e.a. 2016).
    Als ouders om hulp vragen, zien ze zelf al in, dat ze steun nodig hebben om stress te laten afnemen. Dat moet je honoreren, niet afstraffen. Iedere ouder kan -eventueel met enige steun- aangeven waar zijn behoefte aan hulp en steun ligt. Wij moeten vooral luisteren en vragen stellen, inderdaad ook naar de eigen geschiedenis van de ouder(s). Als ouders vertrouwen in je hebben/krijgen doordát je goed luistert als basisattitude, willen ze hun verhaal, waar ze al zo lang mee rondlopen zonder het te durven vertellen, wel met je delen. En hoe spelen omgeving, woonsituaties en schulden een rol? Is er een sociaal netwerk, of kunnen ze op niemand terugvallen? Ook moeten we hen informeren welke mogelijkheden er zijn, van een kortdurende klinische traumatherapie (Peter Dijkshoorn), therapie volgens ‘the Motherhood Constellation’ tot vrijwillige inzet. Ouders zijn het meest gemotiveerd voor wat zij zelf passende hulp vinden, als resultaat van goed luisteren. Er wordt al gewerkt aan een menukaart van mogelijkheden.

    Dus zeker niet oordelen, dat geeft géén vertrouwen. Als ouders denken straks halen ze m’n kind(eren) uit huis, of in dit voorbeeld het gaat nu weer beter met me en ik wil nu weer zelf voor mij kinderen zorgen en dat wordt tegengehouden, dan gaan ze in verzet. Dat komt kinderen níet ten goede. Hulpverleners moeten meebewegen: ‘Wat zou jou helpen om dit te realiseren, wat je vertelt?’ Naast professionele hulp kun je ook gebruik maken van het vrijwillige, informele netwerk, afhankelijk van de leeftijd en de problematiek, zoals MeeleefGezin (instroom -9mnd t/m 4 jaar) specifiek voor ouders met GGZ-problemen, een dag in de week en een weekend in de maand, Buurtgezinnen ook voor oudere leeftijd van kinderen, evenals Steunouders, of gebruik maken van Samen oplopen. Deze organisaties informele zorg zijn met elkaar verenigd in het Collectief Informele steun aan kind en gezin.

    In lerend samenwerken, hoef je niet bang te zijn dat je er als hulpverlener alleen in staat. Vanuit een Systeem Theoretisch Ontwikkelings Perspectief (STOP) denken in verschillende systeemniveau’s (bio-psychodynamisch-sociaal-cultureel) kan een klein team ontstaan dat om het gezin heen staat met zo min mogelijk wisselende professionals: “doen wat nodig is in de ogen van de hulpvrager”.

    Initiatiefnemer MeeleefGezin
    Nieuw initiatief: Call4Change

LAAT EEN REACTIE ACHTER